Eigenerfde Kingma's van Zweins (KK) 
 
J.H. Kingma log in voor tekstopties 

Nabeelden van de jaarvergadering van de Stichting Kingma State met haar donateurs in het dorpshuis te Zweins.

Het is kwart voor twee als ik Zweins binnen rijdt op de eerste zaterdag van november. Een grijze dag met heel af en toe een straaltje zon over het land dat plat en ongenaakbaar is in deze tijd van het jaar. Plat was het land hier niet altijd, want deze streek heet it terpelân, naar de terpenrij, opgeworpen vanaf 150 voor Christus, die aan het einde van de negentiende eeuw grotendeels met de grond gelijk is gemaakt. De vruchtbare terpaarde is afgevoerd en ligt als een film over de Friese landbouwgronden met daarin de minuscule archeologische resten van vroeg middeleeuws Friesland. De zichtbare resten zijn, voor zover tijdig opgemerkt en veiliggesteld, beland in musea, oudheidskamers en op zolders en in particuliere collecties. Zo is ook de terp Kingum tot terpaarde verwerkt en is kort er na de naastgelegen Kingma State afgebroken en in onderdelen verkocht.

Van de geschiedenis van Zweins als dorp met een paar aanzienlijke states rest nog maar weinig meer dan een handjevol huizen langs het van Harinxmakanaal, genaamd Kingmatille en een groepje huizen tegenover de Regina kerk, opgetrokken in de achttiende eeuw op de resten van haar middeleeuwse voorganger. In die kerk liggen nog wat Kingma’s, waaronder ook Ynte Jelles en zijn vrouw Trijntje van Sanstra, waar onze tak Kingma’s van Makkum van afstamt via hun kleindochter Trijntje Jans, de grootmoeder waarnaar Hylke Jans zich in 1771 Kingma noemde. Van dit echtpaar stamt ook de laatste bewoner van Kingmastate af, hun kleinzoon Ynte (Ignatius van) Saecklesz Kingma, de bekende ruiterkolonel, die nog met een regiment ruiters, dat zijn naam droeg, meevocht tegen de invallende Fransen bij Lobith in 1672. Het buitengoed vererfde na zijn dood via de familie van Ghemmenich naar de familie van Beijma (later ~ thoe Kingma).

In ons archief in het Tresoar, te onderscheiden van het daar eveneens aanwezige Kingma State archief, liggen stukken waaruit blijkt dat Hylke Jans en zijn broers deze nalatenschap hebben willen opeisen. Het fideïcommis dat op Kingma state rustte, schreef voor dat het naar de oudste mannelijke nazaat zou moeten gaan en de Makkumer Kingma’s meenden zo ook aanspraken te maken op de state. Deze fideïcommisgoederen speelden een grote rol in de geschiedenissen van vooral adellijke families. Door een fideïcommis te vestigen kon men bewerkstelligen dat het stamslot of een bepaald vermogensbestanddeel niet kon worden vervreemd of zou worden geërfd door een getrouwde dochter en zo in de hand van een aangetrouwde familie zou komen. Dat heeft het fideïcommis dat Ignatius vestigde op de vererving van Kingma State in elk geval niet kunnen bewerkstelligen t.a.v. de familie Kingma.

De vergadering wordt geopend door voorzitter Tjeerd Kingma , dat klinkt voor ons vertrouwd, al is hij minstens 20ste graad familie of minder. Tjeerd vertelt dat men het plan heeft opgevat een boek samen te stellen over Kingma State en haar bewoners. Daarna vertelt Joost Kingma, eveneens bestuurder van de stichting Kingmastate, maar ook van de stichting Herstel Kingma State, hoe men wil komen tot herbouw van de state in een eigentijdse vorm, zij het met passende historische allure. Voor dit bouwinitiatief is destijds ook onze,  c.q. de steun van de Kingma Stichting gevraagd, maar vooralsnog zijn we in dat initiatief niet meegegaan. De forse investering, maar ook de twijfel of je het verleden op deze wijze zou moeten reconstrueren, hebben ons afgehouden van participatie. Niettemin liggen er aantrekkelijke goed onderbouwde plannen klaar en er wordt al naar gegadigden gezocht, die zich straks metterwoon op de nieuwe Kingma state zouden willen vestigen. Wie belangstelling heeft moet kijken op www.kingmastate.nl.
Zeer interessant was na de pauze vervolgens de voordracht van Paul Noomen over de laatmiddeleeuwse stinzen en states en hun bewoners in Friesland, enigszins inzoomend op de vraag welke rol de Kingma’s toen speelden. Ik verwijs voor het eerste naar zijn kortgeleden verschenen belangwekkende boek 1.

Hier ga ik in op hetgeen Noomen opmerkte over de plaats van de Kingma’s in de late vijftiende en zestiende eeuwse samenleving in Zweins en omgeving. De Kingma’s staan te boek als eigenerfden, maar waren ze dat sinds mensenheugenis of verwerven ze die status actief op enig moment ? Waren de Kingma’s in de XV eeuw, wanneer we de eerste Kingum’s tegenkomen,al eigenerfde eigenaren van de dan nog sate Kingma of pachtten ze het goed van verreweg de grootste en machtigste landeigenaar in en om Franeker, de familie Sjaerda, verwant met de Herema’s, de familie, die in die tijd leidend was als hoofdelingengeslacht in Zweins.

De archieven zeggen daarover in 1511/1514, Paul Noomen citerend, het volgende:

Peter Kenghum geft dit jaer toe huyer:
• Aan Gerrelt Herrem heerscip [ gehuwd met Lutke Siaerda]     9 fl;
• Ende zyn faer [ Jelle Kinghen] ende moer: 16 fl.
• Ende Johannes [comen Petersz], vicarius [op het altaar van St Crispinus en Crispianus] in Franeker: 14 fl;
• Ende heer Sybren, vicarsi in Peyns: 24 st.;
• Ende de patroon in Sweyns: 6 st.;
• Ende om ’t ander jaer sal degeen daer op ’t goet woont [voor Swob Syaerde ende Gerrolt toe saemen een hyncxt voeden.

Het komt er op neer dat Pieter Kingum ca. 40 florijnen huur betaalt, waarvan 9 aan Gerrolt Herema en Lutke Sjaerda, 16 fl. aan zijn vader Jelle Kingum, 14 florijnen aan Johannes, zoon van de koopman Peter en pastoor in Franeker tbv de vicarie van St Crispinus (het St Crispinusleen zouden wij zeggen), twee kleine bedragjes in stuivers. Voorts heeft hij om het jaar een hengst op stal staan voor de familie Herema. Dat laatste ziet Noomen als een soort erfdienstbaarheid van de Kingma’s aan de Sjaerda’s/Herema’s.

In 1529 verklaart Pieter to Kemgum (voor de rechtbank ) het volgende:

Pieter to Kemgum wonachtig tot Sweyns voer hem ende syn broeders ende susters segt dat hem hoort de jacht soe verre als het lant stereckt van der sate geheeten Te Kemgum; zijn teycken is: beyde syn voeten buyten ende binnen gesplit.   Allegert possessie vyfftich jaeren ende hefft geen brieven.

Gherolt Herema voer hem ende voer die van Siardema opposiert hem daertegens ende protesteert van syn gerechticheyt [so ét binnen ’s dycx is in Franckerdeel].

Pieter thoe Kingum verklaart namens zijn zusters en broers dat hem de jacht toebehoort zover het land strekt van de sate Thoe Kingum.

Zijn jacht?) teken is: beide voeten buiten en binnen gesplitst ??. Tenslotte voert hij aan dat hij (zijn familie) al vijftig jaar in bezit is daarvan. Hij kan echter geen brieven/schriftelijke stukken overleggen, waaruit die jachtrechten zouden blijken. Dit recht (op de zwanejacht) was een attribuut van ‘heerlijke’ (lees adellijke) status.
 
Noomen concludeert dat Herema de leidende familie in Zweins was c.q. de dorpshoofdelingen leverde, in de vijftiende eeuw en dat de Kingums/Kingma’s dan nog grotendeels pachters zijn van de Sjaerda’s en later ook Herema’s. In de loop van de zestiende eeuw verandert dat, dan wordt de hele sate uiteindelijk bezit van de familie Kingma. De sate ondergaat daarna ook een upgrade, c.q. wordt dan aangeduid als state. Die overgang van pachter naar eigenerfde zien we ook voltrekken in de carrière van de in het citaat genoemde Pieter Jelles (thoe) Kingum. In 1552, vier jaar voor zijn dood, is hij gevolmachtigde ten landsdage (lid provinciale staten). Dat was een positie, geheel voorbehouden aan eigenerfden en edelen. Hij zal er dus als eigenerfde gezeten hebben, zoals ook een rijtje nazaten van hem, waaronder onze voorvader Jan Yntesz, die het tot gedeputeerde bracht.

De state groeit in de XVII eeuw uit tot een omvang van ca. 200 ha, terwijl vele andere familieleden Kingma in die periode daarnaast ook nog aanzienlijk landbezit hebben verworven. Dat roept dan meteen de vraag op, hoe - als er van oorsprong geen of weinig land was uit eigen of geërfd bezit – de Kingma’s toch in relatief korte tijd een omvangrijk landbezit heeft kunnen opbouwen. Was dat geluk, goed boeren en ondernemen of gewoon het sluiten van goede huwelijken. Voor dat laatste was dan wel nodig dat je zelf ook het nodige inbracht aan grond én niet te vergeten achtergrond. Die goede huwelijken waren er zeker, zoals tweemaal met een dochter uit de eveneens als eigenerfd aangeduide familie Fogelsangh. Deze familie bestond weliswaar deels ook uit pachters, maar wel bijzondere. Zij pachtten grote kloostergoederen en zulke zogenaamde kloostermeiers stonden in aanzien en niet zelden waren zij ook gemachtigden ten landsdage.

Een aantal Kingma’s van vandaag, sommigen rechtstreeks in mannelijke lijn van de Kingma’s uit Zweins afstammend, vooronderstelden totnutoe dat de vroege Kingma’s op basis van de betaalde huurpenningen voor driekwart eigenaar waren in 1511 en daarmee op zijn minst ook de facto eigenerfde boeren zouden zijn geweest op hun grotendeels eigen grond. Men veronderstelt namelijk dat de in de bronnen naast Jelle Kingum genoemde pastoor Johannes Pieters een broer zou zijn van deze Jelle. Noomen acht die hypothese echter niet zo waarschijnlijk. Deze pastoor Johannes, in het archieffragment hierboven genoemd, kan heel goed de beheerder zijn van een bijv. door de Sjaerda’s gestichte vicarie of leen zijn geweest. Ik zou menen dat de huurpenningen aan de pastoor ook een restant van oude kloostergoederen kunnen betreffen. De bronnen totnutoe zijn te beperkt om hierover uitsluitsel te geven. Wat wel opvalt, is dat de vroege Kingma’s, blijkens hun ‘heerlijke’ claim op de zwanenjacht, al vroeg bezig waren met hun status. Een adellijke status kon men niet bewijzen, maar in de loop van de zestiende eeuw mogen ze volgens Noomen wel als eigenerfden worden beschouwd. Wanneer Ignatius als laatste Kingmatelg wonend op Kingma state in 1700 overlijdt, heeft hij sociaal duidelijk afstand genomen van zijn neven en nichten, die zoals Herman van Slooten het in 1952 uitdrukte, ‘voortleefden in de boerenstand’ II  of zoals in het geval van onze tak van de familie, als schippers en scheepstimmerlieden in Makkum.
Ignatius daarentegen, verkeerde als hoge militair in het gevolg van de Friese stadhouders en schonk bijv. als uiting van zijn aristocratische levensstijl een nieuwe preekstoel aan de Maria kerk te Boer, met prominent daarop zijn initialen IVK. Karstkarel zegt in een toespraak bij de voltooiing van de restauratie van de kerk in 2008 III: “het zal de op representatie en decorum beluste Kingma een genoegen zijn [geweest] om ons hier rondom zijn geschenk te zien zitten”.

Nog steeds strijden in veel traditionele families, de Kingma’s niet uitgezonderd, status en gewoonheid om voorrang. Waren de oudste Kingma’s eigenerfden, op jacht naar erkenning van hun vermeende heerlijke rechten of gewoon pachters, die ondernemend als ze waren, snel opklommen op de maatschappelijke ladder van de XVI eeuwse standenmaatschappij. Dat laatste past in elk geval goed in het vervolg in Makkum, waar een tweede renaissance volgde van schippers en timmerlieden tot energieke welvarende ondernemers, die als homines novi hun plek innamen in het bestuur van dorp, grietenij en provincie.

 

I  P.N.Noomen, de stinzen in middeleeuws Friesland en hun bewoners, Fryske Akademy & Uitgeverij Verloren BV, Hilversum, 2009.

II  H. G. van Slooten, ‘De reders`en koopmansfamilie Kingma te Makkum’ in: Jierboekje fan it Genealogisk Wurkforban, 30-52, 1952.

III P.Karstkarel, toespraak bij de oplevering van de restauratie van de Maria Kerk te Boer, 15 maart 2008.